Er (brrr)

Uitleg van “er”

Overzicht van de belangrijkste functies, met voorbeelden.

 

  1. Plaats (locatie)

“Er” = ergens / op een plaats
→ Je kunt “er” gebruiken om naar een plaats te verwijzen. Eerder genoemd object van plaats.

Voorbeeld:

  • Ben je weleens in Alicante geweest?
    • Ik ben er geweest. (= op die plek)
    • We gaan er morgen naartoe. (= naar die plek)

positie 3 in de zin

 

  1. Er als onderwerp bij onbepaalde woorden

“Er” = tijdelijk onderwerp, als het echte onderwerp nog komt

Voorbeeld:

  • Er zit een muis onder de kast.
  • Er komen drie nieuwe collega’s.
  • Er lag gisteren sneeuw op straat.

positie 1 in de zin

 

Geen ‘er’ bij bepaald onderwerp!

  • De muis zit onder de kast.
  • Er zit een muis onder de kast.

 

 

  1. Er als aanduiding van hoeveelheid (bij telbare dingen)

“Er” + telwoord / hoeveelheidswoord + van Eerder genoemd object met aantal.

Voorbeeld:

  • Heb je veel boeken? Ja, ik heb er twintig.
  • We hadden tien flessen water, maar nu zijn er nog maar drie over.

positie 3 in de zin

 

 

 

  1. Er bij vaste combinaties (vaste uitdrukkingen of werkwoorden) Eerder genoemd object bij prepositie

Voorbeelden:

  • Hou je van de muziek van Taylor Swift?
    • Ja, ik houd er van.
  • Ben je al gewend aan het Nederlandse weer?
    • Ik kan er niet aan wennen.
  • Heb je er zin in?
  • Denk je er nog aan?

positie 3 in de zin

 

Vaak zie je dan ook een voorzetsel aan het eind van de zin.

 

  1. Er bij passieve constructie, met worden

Voorbeeld:

  • Er wordt hier hard gewerkt.
  • Er wordt gezegd dat het morgen mooi weer wordt.

positie 1 in de zin

 

 

 

 

Oefening