Verba en de tijden
In principe gebruiken we in het Nederlands vooral drie tijden:
- het normale verleden:
Ik heb gisteren aan dit project gewerkt.
Afgelopen zomer zijn we naar Kroatië geweest.
We hebben samen aan de Universiteit Utrecht gestudeerd.
(meestal je korte antwoord of je start van je verhaal).
2. de normale presens:
Ik werk
(I work, I am working, I will work, I do work)
3. de normale toekomst:
Na het werk ga ik boodschappen doen.
We gaan komend weekend onze reis plannen.
Morgen ga ik sporten.
Dan gebruiken we soms nog
A. de continuous:
Ik ben aan het bellen.
Ik zit te werken.
Ik sta te overleggen.
Ik loop te denken.
Ik lig een serie te kijken.
B. zal, zullen, zou en zouden, voor speciale features aan de toekomst
en C. de imperfectum.
Normaal gesproken, voor iets in het gewone verleden (vertellen), gebruiken we de perfectum (1).
Maar voor speciale situaties gebruiken we de imperfectum (C):
- bij toen
- bij verhalen, opsomming van situaties uit het verleden, nadat je bent gestart in de perfect tense.
- bij beschrijven, nadat je bent gestart in de perfect tense.
- bij modale verba en hulp verba
- bij fixed phrases
- bij bijzondere (éénmalige) gebeurtenissen
- bij gewoonten in het verleden
- bij plusquamperfectum
Voorbeelden:
- Toen ik 18 was, begon ik aan de universiteit te studeren.
- Eerst gingen we naar Pula, daar was een festival. Daarna liepen we naar het strand. Vervolgens zwommen we met dolfijnen.
- Het festival was leuk. Er waren veel dj’s en artiesten. Ook zagen we kunstenaars en er liep een presentator, die presenteerde op de radio.
- Het was lastig, ik kon het niet.
- Dat wist ik niet, dat zei ik toch.
- Nederland won de Europa cup in 1988.
- Ik fietste altijd naar mijn werk, en dan vertrok ik altijd om 8.00 uur van huis.
- Voordat ik naar Nederland kwam, werkte ik bij een onderzoeksinstituut.
- Ze toonden ons, dat er een onderzoek was gedaan naar de verdachte.
- We hadden harder moeten lopen, dan hadden we de trein wel gehaald.
+ oefening
