Structuurwoorden

Wat zijn structuurwoorden en signaalwoorden?

Structuurwoorden en signaalwoorden zijn woorden die een tekst duidelijker maken. Ze helpen de lezer of toehoorder (: persoon die luistert) om relaties tussen zinnen en alinea’s te begrijpen.

Deze woorden geven aan:

  • Wat er eerst, daarna of als laatste gebeurt
  • Waarom iets gebeurt
  • Wat de oorzaak en het gevolg is
  • Of er een tegenstelling of een vergelijking is

Voorbeelden van structuurwoorden en signaalwoorden:

Volgorde aangeven (Eerst – Daarna – Ten slotte)

    • Eerst leer je de basiswoorden. Daarna oefen je met zinnen. Ten slotte schrijf je een korte tekst.

 

Reden of oorzaak geven (Omdat – Daarom – Want)

    • Ik leer Nederlands omdat ik in Nederland werk.
    • Het regent, daarom neem ik een paraplu mee.
    • Ik ga niet naar buiten, want ik ben moe.

 

Gevolg aangeven (Daardoor – Dus – Hierdoor)

    • Hij studeert hard, daardoor haalt hij goede cijfers.
    • Ik heb geen tijd, dus ik kan niet mee.
    • Het regende veel, hierdoor was de straat nat.

 

Tegenstelling aangeven (Maar – Toch – Hoewel)

    • Het is koud, maar zij draagt geen jas.
    • Hij was moe, toch ging hij sporten.
    • Hoewel het regende, ging ze wandelen.

 

Voorbeeld geven (Bijvoorbeeld – Zoals – Denk aan)

    • Er zijn veel talen in de wereld, zoals Engels, Spaans en Chinees.
    • In Nederland regent het vaak, denk aan de herfstmaanden.

 

Conclusie of samenvatting geven (Kortom – Samenvattend – Concluderend)

    • Hij heeft hard gewerkt en goede resultaten gehaald. Kortom, hij heeft succes.
    • Samenvattend kunnen we zeggen dat sporten goed is voor de gezondheid.

 

Waarom zijn deze woorden belangrijk?

  • Ze maken een tekst duidelijker.
  • Ze helpen om relaties te zien.
  • Ze zorgen ervoor dat een tekst beter te begrijpen is.

 

 

+ oefening